Box 3-heffing over spaargeld niet strijdig met eigendomsrecht

25 januari 2017

De rechtbank Zeeland-West-Brabant bepaalde onlangs in een proefproces dat de forfaitaire vermogensrendementsheffing voor het jaar 2013 en 2014 niet in strijd is met het Europees eigendomsrecht.  Dit betekent dat de rechter de hoge belastingheffing over spaargeld in stand houdt.

Portretfoto van Robert Gall
geschreven door:
Robert Gall Senior belastingadviseur
Muntstukken

De box 3-heffing gaat ervan uit dat u een rendement op uw spaargeld behaalt van 4%. Dit rendement wordt belast tegen een tarief van 30% en leidt tot een effectieve heffing van 1,2% over uw spaargeld. Met de huidige, zeer lage rentestand, zal het rendement in werkelijkheid duidelijk lager zijn dan de veronderstelde 4%. Dit kan ertoe leiden dat de te betalen belasting hoger is  dan het rendement dat u feitelijk behaalt op uw spaargeld. U loopt hierdoor het risico in te teren  op uw vermogen.

4% forfaitair rendement niet onhaalbaar

Een aantal belastingplichtigen spande daarom een procedure aan met het standpunt dat de box 3-heffing over spaargeld in strijd is met het eigendomsrecht. De rechtbank verwerpt dit standpunt omdat het voor de jaren 2013 en 2014 niet vanzelfsprekend is dat het forfaitaire rendement van 4% voor particuliere beleggers onhaalbaar is. Voor de samenstelling van het box 3-vermogen wordt namelijk geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten bezittingen zoals spaargelden, effecten of onroerende zaken. Volgens de rechters is het daarom niet terecht om bij de beoordeling van de box 3-heffing uitsluitend bezit in de vorm van spaartegoeden mee te wegen.

Al eerder oordeelde de Hoge Raad dat de vermogensrendementsheffing over spaartegoeden in principe niet in strijd is met het eigendomsrecht. Bij invoering van de box 3-heffing baseerde de wetgever zich bij het vaststellen van het forfaitaire rendement van 4% op het daadwerkelijke rendement op staatsobligaties over een langere periode. De belastingrechters vinden dat op basis van de aangedragen gegevens niet is vast te stellen dat het forfaitair rendement over een reeks van jaren teveel afwijkt van het reële rendement. Anders gezegd, over een langere periode bezien is het (misschien) wel mogelijk om een rendement van 4% te behalen.

De rechtbank stelt dat zelfs indien mocht blijken dat een rendement van 4% onhaalbaar is, de wetgever binnen het Europees recht een ruime beoordelingsmarge heeft. Dit betekent dat de wetgever de box 3-heffing niet onmiddellijk moet aanpassen zodra het forfaitair rendement onhaalbaar is.

Tegen de uitspraak is beroep aangetekend en de procedure komt mogelijk via een zogenoemde sprongcassatie direct bij de Hoge Raad terecht. Daarnaast lopen bij verschillende rechtbanken nog vergelijkbare proefprocessen.  Het lijkt er op dat de box 3-heffing vooralsnog in stand kan blijven. Het oordeel van de Hoge Raad zal uiteindelijk definitief duidelijkheid bieden over de houdbaarheid van de box 3-heffing.

ABAB blijft deze zaak voor u volgen en u hierover nader informeren.

Wilt u meer weten over box 3-heffing? Onze specialist helpt u graag verder!

Mail Robert
Portretfoto van Robert Gall
Senior belastingadviseur
Bel
024-6485808
Aanmelden e-mailnieuwsbrief

Aanmelden nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws en ontwikkelingen via onze maandelijkse e-mailnieuwsbrief
Meld u direct aan