Voornemen tot herinvesteren voldoende voor vorming herinvesteringsreserve?

25 november 2022
Artikel

Met een herinvesteringsreserve kunt u belastingvoordeel behalen. Een van de voorwaarden is dat u een aantoonbaar voornemen heeft om binnen drie jaar te herinvesteren. Maar wat als de herinvestering niet mogelijk is door onvoldoende financiële middelen? Is enkel het voornemen dan voldoende? De Hoge Raad deed hier onlangs een uitspraak over.

Portretfoto van Joris van Raaij
Neem contact op met:
Joris van Raaij Senior belastingadviseur
zakenman_met_papier

Belastingvoordeel met een herinvesteringsreserve

Als u bij de verkoop van een bedrijfsmiddel een boekwinst maakt, is het onder voorwaarden mogelijk om die winst te reserveren voor de aanschaf van nieuwe bedrijfsmiddelen. Door herinvestering van het bedrag van de gerealiseerde winst voorkomt u directe belastingheffing over de verkoopwinst. De herinvesteringsreserve (HIR) wordt namelijk afgeboekt van de aanschafprijs van de nieuw aangekochte bedrijfsmiddelen. Hierdoor daalt de boekwaarde en daarmee ook de afschrijvingen op de nieuwe investeringen. U betaalt de verschuldigde belasting dus feitelijk in termijnen.

Aantoonbaar onafgebroken voornemen

Een van de voorwaarden voor de vorming van een HIR, is een aantoonbaar onafgebroken voornemen om uiterlijk na drie jaar tot herinvestering over te gaan. Als de herinvestering niet in hetzelfde jaar plaatsvindt, hoeft de keuze voor de vorming van een HIR pas te blijken in uw eindbalans van het jaar waarin de verkoop van het bedrijfsmiddel plaats vond. Het herinvesteringsvoornemen moet dan ook uiterlijk op deze datum aanwezig zijn. 

Maar wat als u wel een voornemen tot herinvesteren heeft, maar herinvestering feitelijk niet mogelijk is? Bijvoorbeeld omdat er onvoldoende financiële middelen in uw bedrijf aanwezig zijn?

Wel voornemen, geen financiële middelen

Onlangs gaf de Hoge Raad antwoord op deze vraag. De kernvraag in de zaak was: 

Moet een opgenomen HIR op de balans van een onderneming op ieder moment gerealiseerd kunnen worden, of is het voornemen van de ondernemer voldoende?

In de betreffende zaak had een ondernemer een HIR gevormd. In het jaar van vorming van de HIR was er echter sprake van een negatief resultaat en een negatief werkkapitaal. Op basis daarvan had de ondernemer dus geen directe mogelijkheid tot het doen van een herinvestering. 

De Hoge Raad besliste dat het niet van belang is of de ondernemer tijdens het bestaan van de HIR op ieder moment daadwerkelijk kon overgaan tot het doen van een herinvestering. Wel is van belang dat er redelijkerwijs kan worden verwacht dat de voorgenomen herinvestering binnen drie jaar kan plaatsvinden. Als de Belastingdienst van mening is dat hieraan niet voldaan is, dan ligt de bewijslast bij de Belastingdienst. En dat is geen eenvoudige opgave.

Meer weten?

Wilt u weten hoe de vorming van een HIR voordeel kan opleveren? Neem dan contact op met Joris van Raaij, senior belastingadviseur. U bereikt Joris via e-mail. Ook voor andere vragen op het gebied van Fiscaal advies staan onze belastingadviseurs graag voor u klaar. 
 

Wilt u meer weten over dit onderwerp? Onze specialist helpt u graag verder!

E-mail Joris
Aanmelden nieuwsbrief

Aanmelden nieuwsbrief

Altijd op de hoogte van het laatste nieuws
Meld u direct aan