Voordeel bonusaandelen mag niet in de werkkostenregeling

3 september 2020
Artikel

In 2019 oordeelde de Hoge Raad over een zaak waarin het voordeel uit een aandelenplan centraal stond. De Hoge Raad gaf toen een aantal kaders voor de toepassing van de gebruikelijkheidstoets in de werkkostenregeling. Onlangs heeft het Gerechtshof Den Haag getoetst of aan deze kaders is voldaan.

Portretfoto van Mirjam van de Langerijt
Neem contact op met:
Mirjam van de Langerijt Senior belastingadviseur
Uitspraak rechter

Casus in het kort

Bij een werkgever krijgt een selecte groep werknemers om niet aandelen in de vennootschap toegekend. De werkgever neemt de belastingheffing over het voordeel voor zijn rekening. Eerder bruteerde de werkgever het voordeel op de loonstrook van de werknemer, maar in 2012 wijst de werkgever dit voordeel toe aan de vrije ruimte van de werkkostenregeling. De Belastingdienst stelt in deze casus dat het belastingvrij geven van een bonus in de vorm van aandelen, niet gebruikelijk is.

In 2016 werd de gebruikelijkheidstoets van de werkkostenregeling (WKR) verduidelijkt en aangescherpt. Vanaf dat jaar moet het ook gebruikelijk zijn dat een werkgever de belastingheffing over een voordeel (van die omvang) voor zijn rekening neemt.

Uitspraak Hoge Raad op 12 juli 2019

Op 12 juli 2019 oordeelde de Hoge Raad dat de reikwijdte van de werkkostenregeling niet is beperkt tot vergoedingen en verstrekkingen die een zuiver zakelijk of een gemengd karakter hebben. Uit dat oordeel blijkt dat alle soorten vergoedingen en verstrekkingen onder het bereik van de werkkostenregeling kunnen vallen. Wel moet hierbij worden voldaan aan de gebruikelijkheidstoets. Uit het arrest volgde dat een inspecteur van de Belastingdienst, die van mening is dat niet aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan, feiten en omstandigheden moet stellen die zijn standpunt onderbouwen. De Hoge Raad oordeelde expliciet dat de inspecteur niet aan zijn stelplicht kan voldoen door uitsluitend te verwijzen naar de door de Belastingdienst gehanteerde doelmatigheidsmarge van € 2.400 per werknemer per jaar. De inspecteur moet onderbouwen waarom de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel niet gebruikelijk is. De Hoge Raad heeft een aantal gezichtspunten gegeven die bij de beoordeling van het gebruikelijkheidscriterium een rol kunnen spelen:

  • gebruikelijkheid van de aanwijzing van een vergoeding of verstrekking als eindheffingsbestanddeel;
  • vergelijking met werkkostenregelingen voor andere werknemers van dezelfde werkgever;
  • vergelijking met werkkostenregelingen voor collega’s van de werknemer in dezelfde functiecategorie bij dezelfde werkgever;
  • vergelijking met werkkostenregelingen voor werknemers bij andere werkgevers. 

Op basis van deze gezichtspunten én na verwijzing moest het Gerechtshof Den Haag toetsen of het aandelenplan van de casus hieraan voldoet.

Uitspraak Gerechtshof Den Haag op 11 augustus 2020

Het Hof is van mening dat het toekennen van een voordeel van deze omvang niet in de vrije ruimte van de werkkostenregeling kan worden ondergebracht. De aanscherping van de gebruikelijkheidstoets per 2016 geldt volgens het Hof ook voor situaties van vóór 2016. Wat meespeelde is dat de werkgever niet aannemelijk kon maken dat zijn overige werknemers ook dergelijke netto bonussen ontvingen. Daarnaast stelde de Belastingdienst een onderzoek in bij 88 bedrijven, waarvan slechts één bedrijf bonussen toekende aan de werkkostenregeling. Dit betrof bovendien veel lagere bonussen.

Het feit dat de werkgever in eerdere jaren – vóór toepassing van de werkkostenregeling in 2012 – de belasting voor zijn rekening nam, biedt eveneens geen soelaas. Volgens het Hof behaalt de werkgever door toepassing van de werkkostenregeling een netto voordeel. Belastingheffing via de werkkostenregeling leidt immers tot een lager tarief dan bij verloning via de loonstrook van de werknemer. Kortom, de conclusie is dat niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.

Gevolgen voor u als werkgever

De uitspraken van de Hoge Raad en het Gerechtshof kunnen een aantal gevolgen hebben voor u als werkgever. Waar moet u op letten? 

  • Voor het bepalen van het gebruikelijkheidscriterium is ook de omvang van het loonvoordeel van belang, als u deze wilt toewijzen aan de werkkostenregeling .
  • Een loonvoordeel geldt eerder als gebruikelijk als alle óf grote groepen werknemers binnen uw bedrijf dezelfde beloning ontvangen.
  • De Belastingdienst kan niet zomaar stellen dat een bonus van meer dan € 2.400 ongebruikelijk is, door simpelweg naar dit normbedrag te verwijzen.
  • Als u WKR-bonussen aan uw werknemers wilt geven boven de doelmatigheidsnorm van € 2.400, dan is een goede onderbouwing noodzakelijk. Dat geldt zeker als niet alle werknemers een bonus ontvangen, maar slechts een beperkte groep werknemers.
  • Bij een forse overschrijding van het normbedrag is onderzoek bij vergelijkbare werkgevers nodig. De Belastingdienst heeft op dit vlak een voorsprong. De inspecteur is immers bevoegd dergelijke informatie op te vragen. U als werkgever heeft deze informatie niet.

Twijfelt u of een vergoeding of verstrekking voldoet aan de gebruikelijkheidstoets? Neem dan contact op met één van onze loonbelastingspecialisten.

Meer weten?

Wilt u meer weten over de werkkostenregeling? Onze belastingadviseurs helpen u graag. Neem contact op met Mirjam van de Langerijt, senior belastingadviseur, via telefoonnummer 013-5914140 of stuur Mirjam een e-mail

Wilt u meer weten over de gebruikelijkheidstoets? Onze specialist helpt u graag verder!

E-mail Mirjam
Downloaden whitepaper 10 tips over de werkkostenregeling

10 tips voor een goede implementatie van de werkkostenregeling

Download het whitepaper
Aanmelden e-mailnieuwsbrief

Aanmelden nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws en ontwikkelingen via onze maandelijkse e-mailnieuwsbrief
Meld u direct aan