Geen fiscale eenheid Vpb mogelijk tussen Nederlandse dochters van Israëlische moedermaatschappij

22 december 2016
Artikel

Er is geen fiscale eenheid Vpb mogelijk tussen Nederlandse dochters van een Israëlische moedermaatschappij. Dat concludeert Advocaat-Generaal Wattel. Het non-discriminatie artikel in belastingverdragen zegt niets over fiscale groepsregimes. Ook vindt hij de strekking van dergelijke artikelen anders dan de EU-vestigingsvrijheid. Zustermaatschappijen met een niet-EU moeder kunnen volgens hem daarom geen fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormen.

Portretfoto van Mark Broekhuizen
geschreven door:
Mark Broekhuizen Senior belastingadviseur
Wand met mappen over fiscale eenheid Vpb

In de betreffende zaak van Nederlandse dochtermaatschappijen met een Israëlische moeder, oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden eerder nog dat zusters met een buitenlandse topmaatschappij wel een fiscale eenheid moesten kunnen aangaan als het belastingverdrag met de vestigingsstaat van de moeder een non-discriminatie bepaling bevat.

Veel Nederlandse belastingverdragen bevatten een vergelijkbare non-discriminatie bepaling. Als de Hoge Raad de conclusie van AG Wattel niet volgt en een zuster-fiscale eenheid op grond van die bepaling toestaat, maakt dit bijvoorbeeld een fiscale eenheid tussen Nederlandse (klein)dochtermaatschappijen van een Amerikaanse moedervennootschap mogelijk. Het is niet uitgesloten dat de Staatssecretaris van Financiën in dat geval het fiscale eenheid regime zal heroverwegen. Wij houden u uiteraard op de hoogte van de uitspraak van de Hoge Raad.

Wilt u meer weten over vennootschapsbelasting? Onze specialist helpt u graag verder!

Mail Mark
Portretfoto van Mark Broekhuizen
Senior belastingadviseur
Bel
040-2942626